|
Het lichte C-diploma: voor eenvoudige gehoorzaamheidsproeven
De onderdelen van het C-diploma
zijn
Aangelijnd en los volgen
De
hond moet zijn voorjager over een traject
van ongeveer 40 meter volgen. Dit traject moet eerst
aangelijnd en vervolgens onaangelijnd
worden afgelegd.
Het
traject heeft de vorm van een zandloper
waardoor de voorjager steeds twee bochten
met zijn hond aan binnenkant en twee
bochten met zijn hond aan de buitenkant
moet maken.
Tijdens
het onaangelijnd volgen moet de voorjager
halsband en lijn op een door de
keurmeester aangewezen plaats achterlaten
Uitsturen en komen op bevel
De
hond moet zonder halsband of lijn, vrij
worden uitgezonden en van een afstand van
ongeveer 30 meter op bevel naar zijn
voorjager komen. De voorjager moet dit
bevel geven onmiddellijk nadat de
keurmeester hem dit opdraagt.
Houden van de aangewezen plaats
De
hond moet, zonder halsband of lijn en
zonder dat enig voorwerp bij de hond is
achtergelaten, de hem aangewezen plaats
houden tot zijn voorjager hem weer
ophaalt.
De
voorjager dient twee volle minuten buiten
het gezichtsveld van de hond te
verblijven.
De
keurmeester dient er op toe te zien dat de
hond niet door verwaaiing of inrichting
van de proef kan weten dat zijn voorjager
in zijn directe omgeving verblijft.
Apport te land
De
hond moet, zonder halsband of lijn, een,
in overzichtelijk terrein, weggeworpen
wild konijn apporteren.
De
voorjager mag tijdens de uitvoering van de
proef de hem aangewezen plaats niet
verlaten.
De
hond moet het konijn binnen handbereik van
de voorjager brengen.
De
Werper dient het konijn zo ver mogelijk
van zich weg te werpen, doch op een
zodanige plaats dat het konijn op ongeveer
25 meter van de hond terechtkomt.
De
valplaats dient zodanig te worden gekozen
dat de hond vanaf de positie bij de
voorjager het konijn kan zien liggen.
De
hond mag in opdracht van de keurmeester,
na één seconde, nadat het konijn
gevallen is worden uitgestuurd om te
apporteren.
Een
konijn mag bij deze proef meerdere malen
door verschillende honden worden gebruikt.
Apport uit diep water
De
hond moet, zonder halsband of lijn, een in
overzichtelijk, diep water geworpen wilde
eend apporteren
De
eend moet op een zodanige plaats in het
water worden geworpen, dat de hond om de
eend te bereiken, moet zwemmen.
De
valplaats dient zodanig te worden gekozen,
dat de hond, vanaf de positie bij de
voorjager, de eend kan zien liggen.
Tijdens
het werpen van de eend wordt een schot
gelost. Werper en geweer blijven gedurende
de hele proef op hun plaats staan.
Het
schot wordt afgegeven op het moment dat de
eend op het hoogste punt is.
De
keurmeester zal de voorjager de plaats
wijzen waar vandaan hij zijn hond moet
inzetten en waar naar toe de hond de eend
moet brengen. Deze plaats zal zodanig
worden gekozen dat zij ongeveer drie
meter, afhankelijk van de plaatselijke
omstandigheden, uit de waterkant ligt.
De
hond mag in opdracht van de keurmeester,
na één seconde, nadat de eend gevallen
is, worden uitgestuurd om te apporteren.
De onderdelen van het B-diploma zijn:
Alle
onderdelen van het C-diploma
Verloren apport te land
Waarbij
de hond, zonder halsband of lijn een in
dichte dekking geworpen stuk wild moet
apporteren. De afstand van de plaats
vanwaar de hond wordt ingezet tot aan de
valplaats van het wild behoort zodanig
gekozen te worden dat de hond, wanneer
deze in de buurt van het wild is, zijn
voorjager niet ziet. Het wild dient ook
weer correct zittend en op commando
afgegeven te worden.
Markeer
apport te land
Waarbij
de hond een voor hem zichtbaar stuk wild
moet apporteren over een afstand van ca.
60 meter. Tijdens het werpen wordt een
schot gelost. De hond dient de valplaats
van het wild te onthouden, wat moet
blijken doordat de hond zonder te zoeken
recht op zijn doel afgaat.
Apport
over diep water
Waarbij
de hond, een aan de overkant van een breed
water (minimaal 10, maximaal 40 meter
breed) weggeworpen stuk wild moet
apporteren. De plaats waar het wild wordt
geworpen dient zodanig gekozen te worden,
dat de hond vanaf de plaats waar hij uit
het water komt het wild niet ziet liggen.
Bij voorkeur dient de hond in een rechte
lijn naar de overkant te zwemmen.
Het
zware A-diploma: waarbij de hond wordt
geleerd zich op afstand te laten
dirigeren.
De onderdelen van het A-diploma zijn
Alle
onderdelen van het C en B-diploma
Apport
van een verre loper over diep water
Waarbij
de hond een aan de overzijde van het water
een ver weggesleept stuk wild moet
apporteren. Het water moet tenminste 15
meter breed zijn, het sleepspoor moet een
lengte hebben van minimaal 150 en maximaal
300 meter en moet tenminste twee haken van
ongeveer 90º bevatten. De hond noch de
voorjager mogen het trekken van het
sleepspoor zien. Bij voorkeur dient het
terrein aan de overkant zodanig begroeid
te zijn dat de hond zijn voorjager niet
meer kan zien.
Dirigeerproef
te land
Waarbij
de hond door zijn voorjager naar de
valplaats gedirigeerd wordt, om daarna het
wild te apporteren. De proef moet worden
uitgezet in een overzichtelijk terrein,
zodat de hond voor de voorjager
voortdurend zichtbaar is. De hond moet via
een in het terrein gemarkeerd punt naar de
valplaats gedirigeerd worden. Dit punt
dient ongeveer 100 meter van de positie
van de voorjager gelegen te zijn. De hond
dient op dit punt door de voorjager
afgestopt te worden en nadat de
keurmeester hiertoe opdracht geeft moet de
hond nog 50 meter in de richting van de
valplaats worden gedirigeerd.
|